Het boek Omhoog kijken in Platland ligt sinds vorige week in de winkels. Ik heb al aangegeven dat ik niet enthousiast ben over het boek. Ik heb het boek zelfs als anti-wetenschappelijk gekarakteriseerd (wat mij door twee van de drie redacteurs niet in dank werd afgenomen). Het punt is dat er veel kritiek wordt geuit op wetenschap. Een van die kritische artikelen is van de hand van een van de redacteuren: René van Woudenberg. Deze filosoof meent dat evolutionaire verklaringen van moraal niet voldoen. Ik heb mijn mening over Van Woudenbergs werkwijze al eens gegeven. Nu echter heb ik van Gerdien de Jong, van de Universiteit Utrecht, een zeer pittige kritiek op het artikel van Van Woudenberg toegestuurd gekregen. Vanwege haar gedegen kennis van de evolutiebiologie (en het gebrek daaraan wat zij Van Woudenberg verwijt) heb ik hieronder haar bijdrage als gastbijdrage opgenomen.
René van Woudenberg slaat met artikel de plank mis
"Wellicht het stomste ooit over evolutiebiologie in het Nederlands geschreven"
Door: dr. Gerdien de Jong
Hoofdstuk 17 van Platland heet “Evolutionaire verklaringen van de moraal”, en is geschreven door René van Woudenberg. Er valt her en der wat op aan te merken, vooral over onderdeel 3, het onderdeel over kin selectie. Dit onderdeel dingt mee naar de prijs voor het stomste ooit over evolutiebiologie in het Nederlands geschreven.
Gezien eerdere hoofdstukken van Van Woudenberg, in Schitterend Ongeluk en in Worm, komt het niet als een verrassing dat Van Woudenberg niet veel ziet in een evolutionaire benadering. Na de inleiding bespreekt Van Woudenberg vier topics, en concludeert dan in de zes regels van het zesde en afsluitende onderdeel:
“Niets staat ons in de weg om in overeenstemming met hetgeen het christendom de eeuwen door heeft geleerd, te denken dat er een objectieve moraal is, en dat mensen in hun handelen zich soms werkelijk altruïstisch gedragen”.
De methode van redeneren is standaard in de anti-evolutie literatuur: weid veel bladzijden aan het vertellen waarom evolutie of evolutionair denken niet klopt, en concludeer dan dat het christendom gelijk heeft. Alsof er alleen deze twee mogelijkheden zijn, en alsof argumenten tegen optie 1 optie 2 steunen. Bovendien is het nog maar de vraag of er evolutionair geen objectieve moraal is en of mensen zich niet soms werkelijk altruïstisch gedragen, ook als moraal een evolutionaire oorsprong zou hebben. De objectieve moraal wordt dan weliswaar niet van buiten opgelegd, maar een gelijke moraal of een gelijk moreel besef over alle mensen vormt ook een objectieve moraal. Bovendien moeten we voorzichtig zijn met woorden: altruïsme in de biologie en altruïsme in de menselijke beleving zijn niet noodzakelijkerwijs hetzelfde.
In het tweede onderdeel “Wat is ‘een evolutionaire verklaring’, en wat is ‘moraal’?”, staat op blz 342 onderaan dat volgens de standaard evolutionaire benadering eigenlijk niet gesproken mag worden van ‘streven’ en ‘keuzes maken’ en ‘strategie’ als het om genen gaat. Dat klopt. De mechanistische formulering van selectie is basaal, en mocht enigerlei formulering met doel of streven gevonden worden, dan moet daar een langer mechanistisch verhaal onder liggen. Als dat niet mogelijk is (en daar zal ik Van Woudenberg niet als arbiter voor nemen), gaat het om prietpraat. Er bestaat veel populaire prietpraat die evolutiebiologie misbruikt.
Van Woudenberg probeert de theorie van natuurlijke selectie (niet de evolutietheorie, zoals hij ten onrechte schrijft) uit te leggen aan de hand van vier punten.
Van Woudenberg heeft (waaruit is niet duidelijk):
i) elk organisme streeft ernaar zoveel mogelijk nakomelingen te krijgen.
ii) nakomelingen van een organisme zijn verschillen van elkaar, zijn variabel;
iii) erfelijkheid bestaat;
iv) (afleiding uit i,ii,en iii): alleen die nakomelingen kunnen overleven die het best zijn aangepast aan hun omgeving, en aangezien kenmerken erfelijk zijn zullen organismen met beter aangepaste kenmerken succesvolle nakomelingen voortbrengen.
Ik zal de volgorde veranderen en er commentaar bij geven.
Mijn versie:
Natuurlijke selectie is het proces waarbij
gegeven dat
- er variatie bestaat in een eigenschap in een populatie, binnen een generatie
- er een statistisch verband is tussen de waarde van de eigenschap per individu, en overleving en reproductief vermogen van individuen met die eigenschapswaarde
- er erfelijkheid bestaat,
dan volgt
uit 1 en 2 dat
a) de verdeling van de eigenschap in de populatie op het einde van de generatie anders zal zijn dan toen iedereen van deze generatie geboren werd
uit a en 3 dat
b) de verdeling van de eigenschap in de volgende generatie bij geboorte verschilt van de verdeling van de eigenschap in de oudergeneratie bij diens geboorte.
Merk op dat ‘streven’, ‘doel’ of ‘aanpassing’ niet in de definitie van het proces van natuurlijke selectie voorkomen. In feite, wat hier staat is een regel algebra, een precieze omschrijving van de mate van verandering in de gemiddelde waarde van een eigenschap.
Merk ook op, en dat is belangrijk, dat zodra 1, 2, en 3 opgaan, er verandering van gemiddelde waarde van de eigenschap moet optreden. Alleen als er geen variatie is, of geen erfelijkheid is, of geen enkel verband tussen eigenschap en aantal nakomelingen, treedt er geen selectie op. Elk enigszins erfelijk variabel gedrag, of elke mentale eigenschap die zich in gedrag weergeeft, valt onder het proces van natuurlijke selectie zodra dat gedrag enig verband met aantal nakomelingen heeft, hoe klein en vol ruis dat verband ook mag wezen.
Merk ook op dat het bij punt 2 om een statistisch verband gaat. Als er 100 000 individuen in een populatie geen altruïstisch gedrag vertonen, en samen 100000 kinderen hebben, en er 100 000 individuen in een populatie altruïstisch gedrag vertonen, en samen 100100 kinderen hebben, is er selectie voor altruïstisch gedrag. Van die 100 000 individuen met altruïstisch gedrag kunnen er zeer goed 10 zijn die geen kinderen hebben en opvallen door hun altruïstische gedrag: het is niet vereist dat iedereen hetzelfde aantal kinderen heeft, alleen dat er gemiddeld een verband is.
In dit voorbeeld heeft gedrag A fitness 1 (100000/100000) en gedrag B fitness 1.001 (100100/100000). De fitness ’baten’ van gedrag B zijn dan gelijk aan 0.001. Deze fitness baten zijn groter dan nul en leiden er toe dat het gedrag B ten slotte het enige gedrag in de populatie is, en dat gedrag A verdwijnt.
Het derde onderdeel van Van Woudenberg’s hoofdstuk heet: “Evolutionaire verklaringen van morele handelingen (I): de verwantentheorie”. Dit deel blijkt direct gebaseerd op Essay VIII uit David Stove (1995) Darwinian Fairytales, een boek dat Van Woudenberg aanhaalt. (De UU heeft de 1995 uitgave van Avebury Series in Philosophy; Van Woudenberg haalt een Encounter uitgave aan; zo te zien kloppen de blz nummers niet: zijn blz 206 lijkt blz 143 te zijn in het UU exemplaar). Van Woudenberg geeft de redenering van Stove, maar minder woordenrijk en daardoor helderder. Van Woudenberg aanvaardt Stove’s redenering kennelijk volledig.
Het gaat over ‘de verwantentheorie’, met andere woorden, over kin selectie. Van Woudenberg zegt (blz 350):
“Deze theorie is vergaand en met mathematische precisie uitgewerkt. Voor het vervolg is het echter niet van belang die finesses voor ogen te hebben, want wat ik wil zeggen heeft uitsluitend betrekking op het grondidee van deze theorie. En dat grondidee is dat altruïstisch gedrag direct evenredig is aan genetische verwantschap, hetgeen twee dingen betekent: (1) als er altruïstisch gedrag is, dan is er genetische verwantschap en (2) als er genetische verwantschap is, dan is er altruïstisch gedrag. Ik wil nu betogen dat deze theorie, in deze formulering, onhoudbaar is. Ik geef daarvoor enkele argumenten.”
Van Woudenberg geeft drie argumenten.
Ten eerste is volgens Van Woudenberg volgens de verwantenselectie theorie de mate van altruïstisch gedrag exclusief afhankelijk van de mate van verwantschap. Nu is het duidelijk dat bij sexueel voorplantende organismen de kinderen altijd voor de helft verwant zijn met elk van de ouders. Toch is het duidelijk zo dat veel planten en dieren geen aandacht aan het nageslacht geven. De waarneming is dat altruisme tussen ouders en kinderen niet te maken heeft met verwantschap. Ten tweede zou de verwantenselectie theorie een oorzakelijk verband leggen tussen de mate van genetische verwantschap en de mate van altruïstisch gedrag. Bij verwisselde baby’s is er echter sprake van moederlijk gedrag, zonder dat er verwantschap is. Ten derde zou gelijke mate van verwantschap gelijke mate van altruïstisch gedrag betekenen, in Van Woudenberg’s opvatting. Dan zou er evenveel altruïsme moeten zijn tussen broers en zusters als tussen ouders en kinderen (blz 350-351). Op grond van deze en dergelijke argumenten acht Van Woudenberg (blz 352) de theorie van verwantenselectie onhoudbaar.
Zijn tegenwerpingen zijn juist: deze theorie, in deze formulering, is onhoudbaar. Dan zijn er twee mogelijkheden:
- alle evolutiebiologen zijn volstrekt imbeciel
- Van Woudenberg’s begrip van kin selectie is 0°K.
Het zal alleen Van Woudenberg verbazen dat hier de tweede mogelijkheid de juiste is. De weergave van de verwantenselectie theorie bij Van Woudenberg heeft geen enkele overeenkomst met het biologische idee van kin selectie. Van Woudenbergs idee “Hoe meer verwantschap, hoe meer altruïstisch gedrag (blz 350, schuin in origineel), is een schoolvoorbeeld van volstrekt onbenul.
Van Woudenberg vaart blind op het boek van Stove. Er zijn geen aanwijzingen in zijn tekst dat van Woudenberg ooit de moeite gedaan heeft een eerstejaarsleerboek evolutiebiologie in de hand te nemen. Op de VU gebruiken ze voor zover ik weet Freeman & Herron, Evolutionary Analysis; in de derde druk, 2004, moet Van Woudenberg kijken in hoofdstuk 11, vanaf blz 419. Onderaan blz 421 staat een regeltje algebra: rB − C > 0 (sorry, maar het gaat echt niet zonder, maar er is echt maar 1 regeltje nodig). Kin selection in de Engeltalige Wikipedia is ook een goede bron(http://en.wikipedia.org/wiki/Kin_selection).
In Wikipedia staat:
Formally, such genes should increase in frequency when
rB − C > 0
where
r = the genetical relatedness of the recipient to the actor, usually (and originally) defined as the probability that a gene picked randomly from each at the same locus is identical by descent.
B = the additional reproductive benefit gained by the recipient of the altruistic act,
C = the reproductive cost to the individual of performing the act.
Hierboven staat een voorbeeld waar de fitness ’baten’ van een gedrag gelijk waren aan 0.001 voor het individu zelf. Nu maakt individu I zelf fitness kosten, van grootte C. Tegelijk helpt dit individu verwanten, zodat elke verwant Z daardoor fitness baten krijgt ter grootte van B . Het gedrag van individu I heeft een positieve fitness balans als rB − C > 0 . Dat betekent dat er selectie voor het gedrag is als rB − C > 0, en dat dit gedrag ten slotte in de populatie als geheel voor zal komen. De grootheden B en C verschillen per geval. De grootheid B geeft de fitness toename bij anderen door altruïstisch gedrag van individu I weer. De grootheden B en C beslissen of er sprake zal zijn van selectie voor altruïstisch gedrag: de verwantschap van I met Z is een gegeven, komt uit de stamboom. Als B en C gelijk aan nul zijn, is er geen altruisme, alleen verwantschap. Alle waarden van B en C kunnen voorkomen: r, B en C zijn drie grootheden die onafhankelijk van elkaar in een bepaalde situatie bij een bepaalde soort voorkomen. Dit is het einde van Van Woudenberg’s tegenwerpingen 1, 2 en 3.
Nu kan rB − C > 0 ook geschreven worden als r > C/B, en zelfs als 1/r < k, met k = B/C.Van Woudenberg schijnt te denken, in navolging van Stove, dat 1/r = k en dat dat betekent dat er een vaste hoeveelheid altruisme k gedefinieerd wordt door de verwantschapsgraad r. Dat is niet zo: dat is natuurlijk niet zo!
Is het zo moeilijk om zoiets na te zoeken?
Het vijfde onderdeel van Van Woudenberg’s hoofdstuk heet: “Evolutionaire verklaringen van morele overtuigingen”. Ik zie één (1) bron aangehaald: M.R. Ruse & E.O. Wilson, 1991. “The Evolution of Ethics”, in: J.E. Huchingson (ed) Religion and the Natural Sciences. Is dit het enige dat er ooit over dit onderwerp verschenen is? Is er daarna niets meer over evolutie van de moraal bij mensen verschenen? Of is dit een typerend hoofdstuk uit dit boek, of een typerend geval van alle literatuur die er over evolutie van moraal nu is?
Het is zeker niet het enige boek: een klein lijstje, te beginnen met een redelijk bekende vrijwel bestseller, en alles na 1991:
- Frans de Waal, 2005. Van Nature Goed: over de oorsprong van goed en kwaad in mensen en andere dieren. Olympus non-fictie | 5e Druk. ISBN10: 9046701131 | ISBN13: 9789046701133. Van Nature Goed beleeft nu zijn 5de druk in Nederland. Wie in Nederland over de evolutie van moraal wil discussieren, kan niet om Frans de Waal heen. Toch vreemd om dan een hoofdstuk uit een Engels boek uit 1991 te nemen!
- L.D. Katz, ed., Evolutionary Origins of Morality. Cross-Disciplinary Perspectives (Imprint Academic, 2000).
- P.L. Farber, The Temptations of Evolutionary Ethics (University of California Press, 1994, 1998).
- F. de Waal, Primates and Philosophers. How Morality Evolved (Princeton University Press, 2006).
- F. de Waal, Good Natured: The Origins of Right and Wrong in Humans and Other Animals (1996).
En voor de volledigheid maar even:
- David Sloan Wilson , 2003. Darwin's Cathedral: Evolution, Religion, and the Nature of Society.
Zie verder ook: https://www.osiris.universiteitutrecht.nl/osistu_ospr/
OnderwijsCatalogusToonCursus.do?cursuscode=WBMD4075&collegejaar
=2007&aanvangsblok=1.
Mijn begrip van filosofische argumentatie over morele overtuigingen is misschien even groot als Van Woudenberg’s benul van kin selectie, maar wat me in Van Woudenberg’s hoofdstuk zwaar ergert is de afwezigheid van enige aanwijzing voor het doen van enig huiswerk.
Laatste reacties