Mijn foto

Links

Laatste reacties

Google

  • Advertenties

« september 2007 | Hoofdmenu | november 2007 »

22 oktober 2007

Mijn weblog in de pers...

Web-log.nl - de "firma" waar ik mijn weblog op host, heeft een site waarop ze bijhoudt welke web-log.nl-bloggers de (landelijke) pers hebben gehaald.

Ook mijn weblog is er nu op genoemd, door de "affaire Hobrink", die door de gastbijdrage van Tjerk Muller op mijn weblog aan het daglicht is gekomen.

Klik HIER om het bericht te lezen.

Spanningen in de wereld nemen toe...

Je hoort er momenteel veel over: het fenomeen peak oil - het tijdstip waarop de olieproductie gepiekt heeft, waarna de prijzen van olie en aanverwante producten drastisch zullen stijgen omdat de olievoorraad langzaam uitgeput raakt. Het tijdstip waarop deze piek zal plaatsvinden, is onderwerp van verhit debat, maar dat het deze eeuw nog zal zijn, daar zijn de meeste studies het over eens. De meeste rapporten gaan er dus van uit dat de piek in de (nabije of verdere) toekomst zal plaatsvinden.

Tot vandaag...

Want vandaag komt de Britse krant The Guardian met het verontrustende bericht dat een Duitse studie van de Energy Watch Group, die vandaag gepresenteerd wordt, aantoont dat de piek al in 2006 heeft plaatsgevonden. Vanaf nu zal jaarlijks de olieproductie met 7% slinken, terwijl de vraag nog altijd toeneemt. Het zou verklaren waarom de olieprijzen zo hoog zijn, en bovendien nog zullen stijgen. Het Duitse rapport voorspelt bovendien wereldwijde onrust en politieke instabiliteit. De wereldeconomie zal er flink door geraakt worden.

Afgelopen vrijdag zakte de Amerikaanse aandelenmarkt plotseling in, en steeg de prijs van een vat ruwe olie naar een nieuw record. Vanmorgen zijn de aandelenmarkten in Europa lager van start gegaan. Leuk begin van een nieuwe week...

De Duitse studie kan hier gedownload worden (vanaf maandag 22/10, 11.00 uur).

21 oktober 2007

Kris Verburgh: Fantastisch - over het universum in ons hoofd

Wetenschap als slagroom op de genentaart

Bespreking van: Kris Verburgh, Fantastisch! Over het universum in ons hoofd. Antwerpen/Amsterdam: Houtekiet 2007. 518 pp. ISBN 9789052409849. € 24,90.

Door Taede A. Smedes

In 2003 verbijsterde de toen 17-jarige Verburgh het Nederlandse taalgebied met het verschijnen van Schitterend! Over het universum (Houtekiet 2003, herdruk Pandora 2005), waarin hij als een volleerd sterrenkundige de hedendaagse kennis van de kosmologie populariseerde op een wijze die menig astronoom bleek deed wegtrekken. Nu, vier jaar later is Verburgh terug met een nieuw boek en verbijstert hij opnieuw met Fantastisch! Over het universum in ons hoofd. Meer dan in zijn vorige boek geeft Verburgh blijk van zijn persoonlijke heilige fascinatie voor de wetenschap en strooit hij met vakkennis alsof het pepernoten zijn. Hoewel dit boek een fantastisch staaltje wetenschapspopularisatie is, is het ook een schoolvoorbeeld van doorgeslagen wetenschapsgeloof.

Ging het vorige boek over de kosmos, Verburgh zoomt in dit boek in op het aardse bestaan. Verburghs boek is een voorbeeld van wat in Amerika an epic of evolution wordt genoemd: een boek waarin de geschiedenis van de kosmos en de plaats van de mensheid daarin vanuit evolutionair perspectief wordt verteld als betrof het een hedendaagse scheppingsmythe. De metafoor van scheppingsmythe is treffend, want uiteindelijk gaat het Verburgh in dit boek om de vraag naar de zin van het bestaan, waar volgens hem de wetenschap een antwoord op geeft. In deze bespreking zal ik de grote lijnen van Verburghs boek bespreken en een aantal (zeer) kritische kanttekeningen plaatsen.

Van kosmos tot antropos

Verburgh begint zijn boek met de kosmologie: van oerknal tot heelal (hoofdstukken 1 en 2). Deze hoofdstukken vormen een soort overgang met zijn vorige kosmologieboek. Uit deze hoofdstukken blijkt dat Verburghs twee boeken duidelijk in elkaars verlengde liggen. Vervolgens gaat hij verder over hoe de aarde en het leven erop, inclusief de mens, ontstond (hoofdstuk 3). Hoofdstuk 4 beschrijft de mechanismen van evolutie; hoofdstuk 5 geeft een vernietigend oordeel over Intelligent Design (de beweging die probeert God in de wetenschap te herintroduceren). Deze beweging propageert volgens Verburgh een intellectuele luiheid, omdat God wordt geïntroduceerd daar waar evolutiebiologen het even niet meer weten. Toch gaat Verburgh er niet vanuit dat de wetenschap uiteindelijk alles zal kunnen verklaren. Want in dit hoofdstuk introduceert hij een thema dat in volgende hoofdstukken vaker aan de orde komt: de principiële begrensdheid van de menselijke geest door evolutionaire ontwikkelingen:

“Bovendien moeten we ons bij het stoten op wetenschappelijke hiaten ook afvragen of we ooit wel alles kunnen achterhalen. Natuurlijk niet. Onze hersenen zijn gemaakt om te overleven in een harde natuur te midden van al dan niet vijandige soortgenoten. Alle wetenschap van vandaag is een indirect bijproduct van onze intelligentie, die als voornaamste doel had de bezitter ervan in leven te houden. We mogen heel blij zijn dat we al zoveel kunnen begrijpen, maar er zullen hoe dan ook dingen zijn die we nooit kunnen achterhalen, omdat onze breinen er nu eenmaal niet voor gemaakt zijn.” (117/118)

“Just-so stories” en ideologie

Hoofdstukken 6 tot en met 8 zijn echte pareltjes, waarin Verburgh beschrijft welke verklaring evolutiebiologen hebben voor uitingen van menselijk gedrag. In hoofdstuk 6 gaat het over de rol van genen en de invloed vanuit de omgeving (de controverse over nature versus nurture). Hoofdstuk 7 gaat in op de evolutionaire bagage die ieder mens vanaf de geboorte bij zich draagt. De mens is geen onbeschreven blad, maar door de evolutionaire geschiedenis van de mens is er al een bepaalde ‘programmering’ aanwezig. In hoofdstuk 8 beschrijft Verburgh hoe vanuit evolutiebiologisch perspectief ook hogere uitingen van cultuur, zoals humor, muziek, literatuur, en vooral moraal wortels hebben in de biologie. Daarbij gaat hij uit van Dawkins’ selfisch gene-idee, waarin het in de evolutie vooral draait om voortplanting, d.w.z. het zoveel mogelijk verspreiden van genetisch materiaal. Alle hogere uitingen van cultuur zijn daaraan ondergeschikt. Het zijn volgens Verburgh evolutionaire bijproducten, bedoeld om indruk te maken op het andere geslacht.

Het mag duidelijk zijn dat deze hoofdstukken zeer controversieel zijn. Voor vrijwel alle menselijke gedragingen weet Verburgh wel een evolutionaire verklaring uit een hoge hoed te toveren. Of die verklaringen ook werkelijk wetenschappelijk zijn, daarom bekommert Verburgh zich niet – of liever: hij neemt die verklaringen kritiekloos over als zijnde de definitieve waarheid. Dat levert zeer onderhoudende lectuur op, met name voor die Freudiaans-angehauchte lezers voor wie seks de ultieme verklaringsgrond is voor al het menselijk gedrag. Toch hebben door het gebrek aan kritische geest deze hoofdstukken een hoog just-so gehalte: de evolutietheorie wordt hier tot een ‘theorie van alles’ gebombardeerd, waarbij de meeste verklaringen voortdurend geverifieerd worden, maar waarbij geen enkele instantie denkbaar is, die de door Verburgh aangehaalde verklaringen kan falsifiëren.

Het is bij Verburgh dus vaak onduidelijk waar wetenschap overgaat in pseudowetenschap of zelfs ideologie. Zo predikt Verburgh een evolutieleer voor politici (153-156), pleit hij voor strenger straffen van psychopaten vanwege hun genetische aanleg (183v.), en beschrijft hij hoe de evolutietheorie geen immorele natuur en racisme verdedigt, maar juist verdraagzaamheid predikt (186-189, 448-451). Hier wordt de scheidslijn tussen wetenschap en wereldbeschouwing of ideologie overschreden. Hier gaat Verburgh dus als wetenschapspopularisator jammerlijk de mist in. Bovendien is een dergelijke move niet productief, omdat het juist creationisten en ID-aanhangers bevestigt in hun idee dat de evolutietheorie ten diepste ideologie is!

Bovendien is Verburghs argumentatiestrategie erg ironisch, op een wijze die Verburgh niet lijkt te zien. Hij beschrijft alle hogere uitingen van menselijke cultuur als sublimaties van het “grote doel van de evolutie, namelijk de voortplanting op zichzelf” (464). Hij is daarover heel nuchter:

“Het grote doel van de evolutie, namelijk de voortplanting op zichzelf, omvat slechts het opvangen van een zaadlozing; een proces dat enkele seconden duurt, en toch besteden mensen jaren aan het componeren van muziek, het schrijven van boeken, het afbetalen van een indrukwekkende auto, of het beschilderen van kapelgewelven. We tonen graag aan hoe goed onze genen wel zijn door onbewust met onze eigenschappen te pronken. Aan het ‘versieren’ van onze genen dus. … Natuurlijk zorgt al dat versiergedoe ervoor dat we indruk maken op partners, zodat we onze genen kunnen doorgeven, en deze genen erin slagen om te overleven, zoals Dawkins ook zegt. De evolutie wil dat genen overleven, en heeft de mens zoogemaakt dat hij zijn genen voortdurend in de verf zet. Creativiteit is de kers en het slagroom op de genentaart.” (464/465)

Prachtig beschreven, maar toch... Een prangend probleem met deze beschrijving is de consequentie voor de visie op wetenschap! Want ook de wetenschap waar hij zo heilig in gelooft (meer daarover hieronder), is een product van de menselijke cultuur. Is ook die wetenschap een versiering van de genen? Staat ook een wetenschapper in zijn laboratorium onbewust ten dienste van die zaadlozing van enkele seconden? En zo ja, hoe waar is die wetenschap dan? Verburgh verklaart religie tot illusie, maar hoe voorkomt hij dat wetenschap niet eenzelfde kwalificatie treft? Immers, hoewel Verburgh het nergens noemt, is ook wetenschap deel van de slagroom op de genentaart – en is slagroom niet een beetje substantie en vooral opgeklopte lucht?

De ongrijpbaarheid van menselijk bewustzijn

Hoofdstukken 9 tot en met 11 gaan in op de werking van het menselijk brein, de ongrijpbaarheid van menselijk bewustzijn en de vraag of onze hersenen wellicht geavanceerde computers zijn. Daarbij is Verburgh met name gecharmeerd van de (omstreden) verklaring van bewustzijn die is opgesteld door Roger Penrose en Stuart Hameroff. Penrose is wereldberoemd wiskundige, en Hameroff is (een zeer omstreden) anesthesist en een prominente persoonlijkheid in de door velen als pseudowetenschap verguisde film What the Bleep Do We Know? Penrose & Hameroff menen dat het bewustzijn verklaard kan worden door middel van quantummechanica. Ons bewustzijn is quantumbewustzijn. Volgens Verburgh is hun model “het meest veelbelovende model van de werkiig van de menselijke geest en bewustzijn”, hoewel hij daar dan snel aan toevoegt, “Althans, naar eigen zeggen” (351). Verburgh lijkt enige afstand te bewaren, hoewel het model van Penrose & Hameroff het enige is wat hij bespreekt. Uiteindelijk concludeert Verburgh heel veilig dat bewustzijn iets vreemds is wat voor de mens onbegrijpelijk zal blijven:

“We weten dat bewustzijn en de fysische werkelijkheid met elkaar verstrengeld zijn, maar hoe dit precies in elkaar zit zullen we misschien nooit te weten komen. Net zoals de computer op uw bureau niet intelligent genoeg is om te begrijpen hoe hij zelf werkt, zo is de mens niet door de natuur geschapen [!] om te begrijpen hoe zijn hersenen werken.” (427)

Dit citaat geeft overigens een mooi voorbeeld van antropomorfiserend taalgebruik dat Verburgh in dit boek geheel terloops hanteert en waar ik straks op terug zal komen.

Religie: evolutionair bijproduct maar onontkoombaar

Kris Verburgh, schrijver De laatste twee hoofdstukken 12 en 13 zullen voor veel lezers de meest controversiële van het boek zijn. Want ook religieuze uitingen zijn volgens Verburgh biologisch verklaarbaar als bijproducten van de evolutie, bedoeld om het andere geslacht te imponeren (het zijn immers vaak de mannen die in religies hoge functies vervullen) en om een vruchtbaar seksleven te promoten. Goden bestaan dus niet; het is alles evolutionair verklaarbaar. Verburgh gaat uit van een conflict tussen geloof en wetenschap: “Kennis en geloof staan lijnrecht tegenover elkaar. Een gelovige zou heel wat kennis moeten negeren om die met zijn geloof te verzoenen” (436). Uiteraard is deze uitspraak volstrekte flauwekul, ook omdat Verburgh nergens precies duidelijk omschrijft wat hij met ‘geloof’ bedoelt. Op één plaats schrijft hij “Geloof is immers een ‘gevoel’, en niet iets dat op logica gebaseerd is” (419). Als dat het geval is, dan zijn kennis en geloof twee incommensurabele zaken, en is er sprake van een boedelscheiding in plaats van een conflict. Verburgh is hier dus niet helemaal consistent.

De schrijver maakt een onderscheid tussen ‘religie’ en ‘spiritualiteit’. Zijn eigen insteek is a-religieus, maar wel spiritueel. Verburgh spreekt over ‘het contextverhaal’: een levensbeschouwing die volledig in wetenschappelijke kennis gegrondvest is. Een heldere omschrijving van het begrip geeft Verburgh helaas niet. Verburghs contextverhaal bestaat uit drie ‘pijlers’: de kosmologische, evolutionaire, en neurologische pijler. “Die pijlers bestaan elk uit de belangrijkste wetenschappelijke ontdekkingen van de afgelopen eeuwen, en brengen de mens met beide voeten weer op de grond”, aldus de schrijver (399). In feite is Verburghs kosmologieboek één pijler van zijn contextverhaal, en bevat het huidige boek de andere twee. In de context van het wetenschappelijk contextverhaal hebben goden geen plaats:

“In zijn geheel schetst het contextverhaal de plaats van de mensheid in ons universum. Dit verhaal stemt ons nederig, maar het is een fascinerend verhaal over de mensheid en het universum, at over een geschiedenis vertelt die niet eeuwenoud is, maar die miljarden jaren omhelst. Het contextverhaal gaat over de mens, die een fabrikaat van de kosmos is. Een prachtig, subliem, verwonderlijk, maar onbedoeld bijproduct van de sterren. Een wezen dat met zijn soortgenoten krioelt op een kleine stofkorrel, die zweeft temidden van een oneindige, diepe zwarte afgrond. Het contextverhaal zegt ons dat goden en geesten niet nodig waren om dit universum en uiteindelijk denkende wezens te [scheppen; typo hersteld]. En belangrijker: hoe deze goden en geesten eigenlijk juist producten zijn van een geest die op zijn beurt het resultaat is van honderden miljoenen jaren evolutie.” (400/401)

Verburghs contextverhaal is de epic of evolution: een wetenschappelijk scheppingsverhaal wat rivaliseert met religieuze scheppingsverhalen. Het is geen wetenschap, maar een samenbrengen van wetenschappelijke kennis, opgeblazen tot een wereldbeschouwing die – inderdaad – direct conflicteert met een religieuze levensbeschouwing. Verburgh werkt dit contextverhaal in redelijk detail uit in hoofdstuk 13, dat als titel draagt “Een mooie wereld”. Wel, het is maar net wat je een mooie wereld noemt. Want Verburghs levensbeschouwing kent geen hoop. Met de dood is alles afgelopen, en ook voor de mensheid als geheel gloort geen hoop. Het is de angst voor de dood die de mens moet aansporen, zo schrijft hij, want die angst spoort aan tot overleven. Maar het gaat uiteindelijk om het hier en nu. Wat verleent zin aan het leven? Zelfkennis, creativiteit (ofschoon creativiteit een bijproduct is van het “grote doel van de evolutie, namelijk de voortplanting op zichzelf” [464]), en spiritualiteit als de wegsmelting van het ik-besef en het opgenomen worden in het kosmische geheel: opgaan in de wereld en het heelal.

Verburgh zet zichzelf sterk af tegen religie (hoewel hij dat nergens zo polemisch doet als zijn inspirator Richard Dawkins). En toch kun je je afvragen hoe consistent hij in zijn a-religiositeit is. Zo spreekt hij voortdurend over de evolutie en Moeder Natuur (inclusief hoofdletters) die dingen schept, maakt, wil, e.d., alsof het een intentionele en sturende instantie betrof. Voor het populariseren van wetenschap zeer geschikt, dit taalgebruik, maar in een boek wat de lezer wil overtuigen van het niet-bestaan van God, is het minder geschikt en zelfs verwarrend. Sterker nog: Verburghs eigen taalgebruik raakt voortdurend aan religieus besef. Zo spreekt hij in scheppingstermen over het “scheppen” of “creëren” van mensen door de natuur, en stelt hij verschillende malen dat mensen “dankbaar” mogen zijn voor hun bestaan:

“De grootsheid van de kosmos was dus nodig om u te creëren. In plaats van ons eenzaam en nietig te voelen, kunnen we die onbevattelijke afstanden en enorme aantallen dankbaar zijn.” (449)

en

“Hoe meer we te weten komen over de wereld om ons heen, hoe sterker dit gevoel van ontzag en dankbaarheid is. Dankbaarheid ten opzichte van een universum dat elke vorm van menselijke bevattelijkheid overstijgt, maar waarin temidden van leegte en sterren ook plaats is voor ons.” (474)

Ik kan iemand dankbaar zijn voor iets wat hij of zij voor mij gedaan heeft. Dankbaarheid is een reactie op een intentionele handeling die mij ten goede komt. Maar Verburgh doet er alles aan in zijn boek om te betogen dat er achter het kosmische evolutieproces geen intentionele macht of godheid schuilgaat. Dat past niet in zijn contextverhaal. En toch spreekt hij van scheppen, personifieert hij het evolutieproces en de natuur, en spreekt hij over dankbaarheid. Ook Verburgh blijkt hier volstrekt menselijk wanneer hij de hogere machten, die hijzelf tot evolutionair bijproduct heeft gereduceerd, aanroept en zijn ontzag en dankbaarheid belijdt.

Besluit

Mijn bespreking van Verburghs boek is kritisch. Neemt niet weg dat ik van mening ben dat Fantastisch! - net als zijn vorige boek Schitterend! - een briljant boek is en dat ik ervan genoten heb. Het is wetenschapspopularisatie op zijn best: grote lijnen afgewisseld met gedetailleerde en sappige beschrijvingen, direct, zonder vermoeiende nuanceringen, en onderhoudend. Het is een boek wat ik niet gemakkelijk kon neerleggen en waar ik veel van heb opgestoken. Verburgh schrijft goed en zijn uitleg van complexe materie is verbluffend eenvoudig zonder dat hij hoeft over te gaan op een jip-en-janneke-toonsoort. Bovendien maken een verklarende woordenlijst, bibliografie en uitgebreid register dit boek compleet en bruikbaar als naslagwerk. Verburgh is wat mij betreft lang niet kritisch genoeg ten aanzien van wetenschap, en niet iedereen zal de levensbeschouwelijke boodschap van het boek kunnen waarderen. Er schort wat dat betreft nog wel een en ander. Maar het boek als geheel communiceert effectief wetenschappelijke kennis en zet bovendien aan tot serieuze filosofische reflectie over de rol van wetenschappelijke kennis en levensbeschouwing. Wat mij betreft een absolute aanrader en één van de beste Nederlandstalige wetenschapspopulariserende boeken van de afgelopen tijd. Het zal ook voor Verburgh moeilijk worden om deze beide boeken nog eens te overtreffen...


Weblinks:

http://www.krisverburgh.com/.

Weblog Kris Verburgh: http://fantastisch.filosofie.be/.

17 oktober 2007

Gerdien de Jong over de bijdrage van Van Woudenberg

Het boek Omhoog kijken in Platland ligt sinds vorige week in de winkels. Ik heb al aangegeven dat ik niet enthousiast ben over het boek. Ik heb het boek zelfs als anti-wetenschappelijk gekarakteriseerd (wat mij door twee van de drie redacteurs niet in dank werd afgenomen). Het punt is dat er veel kritiek wordt geuit op wetenschap. Een van die kritische artikelen is van de hand van een van de redacteuren: René van Woudenberg. Deze filosoof meent dat evolutionaire verklaringen van moraal niet voldoen. Ik heb mijn mening over Van Woudenbergs werkwijze al eens gegeven. Nu echter heb ik van Gerdien de Jong, van de Universiteit Utrecht, een zeer pittige kritiek op het artikel van Van Woudenberg toegestuurd gekregen. Vanwege haar gedegen kennis van de evolutiebiologie (en het gebrek daaraan wat zij Van Woudenberg verwijt) heb ik hieronder haar bijdrage als gastbijdrage opgenomen.


René van Woudenberg slaat met artikel de plank mis

"Wellicht het stomste ooit over evolutiebiologie in het Nederlands geschreven"

Door: dr. Gerdien de Jong

Hoofdstuk 17 van Platland heet “Evolutionaire verklaringen van de moraal”, en is geschreven door René van Woudenberg. Er valt her en der wat op aan te merken, vooral over onderdeel 3, het onderdeel over kin selectie. Dit onderdeel dingt mee naar de prijs voor het stomste ooit over evolutiebiologie in het Nederlands geschreven.

Gezien eerdere hoofdstukken van Van Woudenberg, in Schitterend Ongeluk en in Worm, komt het niet als een verrassing dat Van Woudenberg niet veel ziet in een evolutionaire benadering. Na de inleiding bespreekt Van Woudenberg vier topics, en concludeert dan in de zes regels van het zesde en afsluitende onderdeel:

Niets staat ons in de weg om in overeenstemming met hetgeen het christendom de eeuwen door heeft geleerd, te denken dat er een objectieve moraal is, en dat mensen in hun handelen zich soms werkelijk altruïstisch gedragen”.

De methode van redeneren is standaard in de anti-evolutie literatuur: weid veel bladzijden aan het vertellen waarom evolutie of evolutionair denken niet klopt, en concludeer dan dat het christendom gelijk heeft. Alsof er alleen deze twee mogelijkheden zijn, en alsof argumenten tegen optie 1 optie 2 steunen. Bovendien is het nog maar de vraag of er evolutionair geen objectieve moraal is en of mensen zich niet soms werkelijk altruïstisch gedragen, ook als moraal een evolutionaire oorsprong zou hebben. De objectieve moraal wordt dan weliswaar niet van buiten opgelegd, maar een gelijke moraal of een gelijk moreel besef over alle mensen vormt ook een objectieve moraal. Bovendien moeten we voorzichtig zijn met woorden: altruïsme in de biologie en altruïsme in de menselijke beleving zijn niet noodzakelijkerwijs hetzelfde.

In het tweede onderdeelWat is ‘een evolutionaire verklaring’, en wat is ‘moraal’?”, staat op blz 342 onderaan dat volgens de standaard evolutionaire benadering eigenlijk niet gesproken mag worden van ‘streven’ en ‘keuzes maken’ en ‘strategie’ als het om genen gaat. Dat klopt. De mechanistische formulering van selectie is basaal, en mocht enigerlei formulering met doel of streven gevonden worden, dan moet daar een langer mechanistisch verhaal onder liggen. Als dat niet mogelijk is (en daar zal ik Van Woudenberg niet als arbiter voor nemen), gaat het om prietpraat. Er bestaat veel populaire prietpraat die evolutiebiologie misbruikt.

Van Woudenberg probeert de theorie van natuurlijke selectie (niet de evolutietheorie, zoals hij ten onrechte schrijft) uit te leggen aan de hand van vier punten.

Van Woudenberg heeft (waaruit is niet duidelijk):

i) elk organisme streeft ernaar zoveel mogelijk nakomelingen te krijgen.

ii) nakomelingen van een organisme zijn verschillen van elkaar, zijn variabel;

iii) erfelijkheid bestaat;

iv) (afleiding uit i,ii,en iii): alleen die nakomelingen kunnen overleven die het best zijn aangepast aan hun omgeving, en aangezien kenmerken erfelijk zijn zullen organismen met beter aangepaste kenmerken succesvolle nakomelingen voortbrengen.

Ik zal de volgorde veranderen en er commentaar bij geven.

Mijn versie:

Natuurlijke selectie is het proces waarbij

gegeven dat

  1. er variatie bestaat in een eigenschap in een populatie, binnen een generatie
  2. er een statistisch verband is tussen de waarde van de eigenschap per individu, en overleving en reproductief vermogen van individuen met die eigenschapswaarde
  3. er erfelijkheid bestaat,

dan volgt

uit 1 en 2 dat

a) de verdeling van de eigenschap in de populatie op het einde van de generatie anders zal zijn dan toen iedereen van deze generatie geboren werd

uit a en 3 dat

b) de verdeling van de eigenschap in de volgende generatie bij geboorte verschilt van de verdeling van de eigenschap in de oudergeneratie bij diens geboorte.

Merk op dat ‘streven’, ‘doel’ of ‘aanpassing’ niet in de definitie van het proces van natuurlijke selectie voorkomen. In feite, wat hier staat is een regel algebra, een precieze omschrijving van de mate van verandering in de gemiddelde waarde van een eigenschap.

Merk ook op, en dat is belangrijk, dat zodra 1, 2, en 3 opgaan, er verandering van gemiddelde waarde van de eigenschap moet optreden. Alleen als er geen variatie is, of geen erfelijkheid is, of geen enkel verband tussen eigenschap en aantal nakomelingen, treedt er geen selectie op. Elk enigszins erfelijk variabel gedrag, of elke mentale eigenschap die zich in gedrag weergeeft, valt onder het proces van natuurlijke selectie zodra dat gedrag enig verband met aantal nakomelingen heeft, hoe klein en vol ruis dat verband ook mag wezen.

Merk ook op dat het bij punt 2 om een statistisch verband gaat. Als er 100 000 individuen in een populatie geen altruïstisch gedrag vertonen, en samen 100000 kinderen hebben, en er 100 000 individuen in een populatie altruïstisch gedrag vertonen, en samen 100100 kinderen hebben, is er selectie voor altruïstisch gedrag. Van die 100 000 individuen met altruïstisch gedrag kunnen er zeer goed 10 zijn die geen kinderen hebben en opvallen door hun altruïstische gedrag: het is niet vereist dat iedereen hetzelfde aantal kinderen heeft, alleen dat er gemiddeld een verband is.

In dit voorbeeld heeft gedrag A fitness 1 (100000/100000) en gedrag B fitness 1.001 (100100/100000). De fitness ’baten’ van gedrag B zijn dan gelijk aan 0.001. Deze fitness baten zijn groter dan nul en leiden er toe dat het gedrag B ten slotte het enige gedrag in de populatie is, en dat gedrag A verdwijnt.

Het derde onderdeel van Van Woudenberg’s hoofdstuk heet: “Evolutionaire verklaringen van morele handelingen (I): de verwantentheorie”. Dit deel blijkt direct gebaseerd op Essay VIII uit David Stove (1995) Darwinian Fairytales, een boek dat Van Woudenberg aanhaalt. (De UU heeft de 1995 uitgave van Avebury Series in Philosophy; Van Woudenberg haalt een Encounter uitgave aan; zo te zien kloppen de blz nummers niet: zijn blz 206 lijkt blz 143 te zijn in het UU exemplaar). Van Woudenberg geeft de redenering van Stove, maar minder woordenrijk en daardoor helderder. Van Woudenberg aanvaardt Stove’s redenering kennelijk volledig.

Het gaat over ‘de verwantentheorie’, met andere woorden, over kin selectie. Van Woudenberg zegt (blz 350):

Deze theorie is vergaand en met mathematische precisie uitgewerkt. Voor het vervolg is het echter niet van belang die finesses voor ogen te hebben, want wat ik wil zeggen heeft uitsluitend betrekking op het grondidee van deze theorie. En dat grondidee is dat altruïstisch gedrag direct evenredig is aan genetische verwantschap, hetgeen twee dingen betekent: (1) als er altruïstisch gedrag is, dan is er genetische verwantschap en (2) als er genetische verwantschap is, dan is er altruïstisch gedrag. Ik wil nu betogen dat deze theorie, in deze formulering, onhoudbaar is. Ik geef daarvoor enkele argumenten.

Van Woudenberg geeft drie argumenten.

Ten eerste is volgens Van Woudenberg volgens de verwantenselectie theorie de mate van altruïstisch gedrag exclusief afhankelijk van de mate van verwantschap. Nu is het duidelijk dat bij sexueel voorplantende organismen de kinderen altijd voor de helft verwant zijn met elk van de ouders. Toch is het duidelijk zo dat veel planten en dieren geen aandacht aan het nageslacht geven. De waarneming is dat altruisme tussen ouders en kinderen niet te maken heeft met verwantschap. Ten tweede zou de verwantenselectie theorie een oorzakelijk verband leggen tussen de mate van genetische verwantschap en de mate van altruïstisch gedrag. Bij verwisselde baby’s is er echter sprake van moederlijk gedrag, zonder dat er verwantschap is. Ten derde zou gelijke mate van verwantschap gelijke mate van altruïstisch gedrag betekenen, in Van Woudenberg’s opvatting. Dan zou er evenveel altruïsme moeten zijn tussen broers en zusters als tussen ouders en kinderen (blz 350-351). Op grond van deze en dergelijke argumenten acht Van Woudenberg (blz 352) de theorie van verwantenselectie onhoudbaar.

Zijn tegenwerpingen zijn juist: deze theorie, in deze formulering, is onhoudbaar. Dan zijn er twee mogelijkheden:

  1. alle evolutiebiologen zijn volstrekt imbeciel
  2. Van Woudenberg’s begrip van kin selectie is 0°K.

Het zal alleen Van Woudenberg verbazen dat hier de tweede mogelijkheid de juiste is. De weergave van de verwantenselectie theorie bij Van Woudenberg heeft geen enkele overeenkomst met het biologische idee van kin selectie. Van Woudenbergs idee “Hoe meer verwantschap, hoe meer altruïstisch gedrag (blz 350, schuin in origineel), is een schoolvoorbeeld van volstrekt onbenul.

Van Woudenberg vaart blind op het boek van Stove. Er zijn geen aanwijzingen in zijn tekst dat van Woudenberg ooit de moeite gedaan heeft een eerstejaarsleerboek evolutiebiologie in de hand te nemen. Op de VU gebruiken ze voor zover ik weet Freeman & Herron, Evolutionary Analysis; in de derde druk, 2004, moet Van Woudenberg kijken in hoofdstuk 11, vanaf blz 419. Onderaan blz 421 staat een regeltje algebra: rB − C > 0 (sorry, maar het gaat echt niet zonder, maar er is echt maar 1 regeltje nodig). Kin selection in de Engeltalige Wikipedia is ook een goede bron(http://en.wikipedia.org/wiki/Kin_selection).

In Wikipedia staat:

Formally, such genes should increase in frequency when

rB − C > 0

where

r = the genetical relatedness of the recipient to the actor, usually (and originally) defined as the probability that a gene picked randomly from each at the same locus is identical by descent.

B = the additional reproductive benefit gained by the recipient of the altruistic act,

C = the reproductive cost to the individual of performing the act.

Hierboven staat een voorbeeld waar de fitness ’baten’ van een gedrag gelijk waren aan 0.001 voor het individu zelf. Nu maakt individu I zelf fitness kosten, van grootte C. Tegelijk helpt dit individu verwanten, zodat elke verwant Z daardoor fitness baten krijgt ter grootte van B . Het gedrag van individu I heeft een positieve fitness balans als rB − C > 0 . Dat betekent dat er selectie voor het gedrag is als rB − C > 0, en dat dit gedrag ten slotte in de populatie als geheel voor zal komen. De grootheden B en C verschillen per geval. De grootheid B geeft de fitness toename bij anderen door altruïstisch gedrag van individu I weer. De grootheden B en C beslissen of er sprake zal zijn van selectie voor altruïstisch gedrag: de verwantschap van I met Z is een gegeven, komt uit de stamboom. Als B en C gelijk aan nul zijn, is er geen altruisme, alleen verwantschap. Alle waarden van B en C kunnen voorkomen: r, B en C zijn drie grootheden die onafhankelijk van elkaar in een bepaalde situatie bij een bepaalde soort voorkomen. Dit is het einde van Van Woudenberg’s tegenwerpingen 1, 2 en 3.

Nu kan rB − C > 0 ook geschreven worden als r > C/B, en zelfs als 1/r < k, met k = B/C.Van Woudenberg schijnt te denken, in navolging van Stove, dat 1/r = k en dat dat betekent dat er een vaste hoeveelheid altruisme k gedefinieerd wordt door de verwantschapsgraad r. Dat is niet zo: dat is natuurlijk niet zo!

Is het zo moeilijk om zoiets na te zoeken?

Het vijfde onderdeel van Van Woudenberg’s hoofdstuk heet: “Evolutionaire verklaringen van morele overtuigingen”. Ik zie één (1) bron aangehaald: M.R. Ruse & E.O. Wilson, 1991. “The Evolution of Ethics”, in: J.E. Huchingson (ed) Religion and the Natural Sciences. Is dit het enige dat er ooit over dit onderwerp verschenen is? Is er daarna niets meer over evolutie van de moraal bij mensen verschenen? Of is dit een typerend hoofdstuk uit dit boek, of een typerend geval van alle literatuur die er over evolutie van moraal nu is?

Het is zeker niet het enige boek: een klein lijstje, te beginnen met een redelijk bekende vrijwel bestseller, en alles na 1991:

  • Frans de Waal, 2005. Van Nature Goed: over de oorsprong van goed en kwaad in mensen en andere dieren. Olympus non-fictie | 5e Druk. ISBN10: 9046701131 | ISBN13: 9789046701133. Van Nature Goed beleeft nu zijn 5de druk in Nederland. Wie in Nederland over de evolutie van moraal wil discussieren, kan niet om Frans de Waal heen. Toch vreemd om dan een hoofdstuk uit een Engels boek uit 1991 te nemen!
  • L.D. Katz, ed., Evolutionary Origins of Morality. Cross-Disciplinary Perspectives (Imprint Academic, 2000).
  • P.L. Farber, The Temptations of Evolutionary Ethics (University of California Press, 1994, 1998).
  • F. de Waal, Primates and Philosophers. How Morality Evolved (Princeton University Press, 2006).
  • F. de Waal, Good Natured: The Origins of Right and Wrong in Humans and Other Animals (1996).

En voor de volledigheid maar even:

  • David Sloan Wilson , 2003. Darwin's Cathedral: Evolution, Religion, and the Nature of Society.

Zie verder ook: https://www.osiris.universiteitutrecht.nl/osistu_ospr/
OnderwijsCatalogusToonCursus.do?cursuscode=WBMD4075&collegejaar
=2007&aanvangsblok=1
.

Mijn begrip van filosofische argumentatie over morele overtuigingen is misschien even groot als Van Woudenberg’s benul van kin selectie, maar wat me in Van Woudenberg’s hoofdstuk zwaar ergert is de afwezigheid van enige aanwijzing voor het doen van enig huiswerk.

16 oktober 2007

Bas Haring: Voor een echt succesvol leven

Bespreking van: Bas Haring, Voor een echt succesvol leven. Amsterdam: Nijgh & Van Ditmar, Antwerpen: Houtekiet 2007. 173 pp. ISBN 9789052409221.

“Er is geen lachende derde die ons voor zijn karretje spant. Of het moeten onze denkbeelden zelf zijn die ons voor hun karretje spannen, maar eerlijker vind ik het beeld dat we onderdeel zijn van een voortbestaande machinerie. Een machinerie die we zelf in stand houden door er onderdeel van te zijn, maar en machinerie die niet het beste met ons voorheeft. Er zit geen baas achter de machinerie, niet iemand die we het kwalijk kunnen nemen. Daarom is de machinerie ook zo lastig te herkennen misschien. Ik heb er niet eens een goed woord voor. ‘Machinerie’, dat is alles waar ik mee kan komen.” (122)

Dit citaat laat goed Harings schrijfstijl zien, en geeft tegelijkertijd het antwoord op de vraag die ten grondslag ligt aan dit boek: Waarom proberen we toch uit alle macht succesvol te zijn? Waarom bepaalt succes ons leven, en waarom nemen we niet met middelmatigheid genoegen? Een prangend voorbeeld dat Haring aanhaalt, is de beschrijving van een overledene door zijn dochter tijdens een begrafenis: louter een opeenvolging van successen. Haring vraagt zich daarbij af of die man werkelijk gelukkig was, of hij in zijn neus pulkte, rustig van aard was of zich in een file opwond, of hij 8 uur per nacht sliep en dergelijke. Daarover werd niets verteld, want die zaken hadden met succes niets te maken.

Haring doet in dit boek een pleidooi voor middelmatigheid en een levensstijl die zich aan succes niets gelegen laat liggen: “Petje af voor de vaders en moeders bij wier begrafenis niets te melden is dan dat hij of zij lekker sliep, een zeeaquarium had en hield van nasi goreng.” (173) Hij steekt daarbij ook niet onder stoelen of banken dat de ambivalentie over succes ook hemzelf aangaat. Haring is immers een toonbeeld van succes: hoogleraar aan de Universiteit Leiden, presentator van succesvolle tv-programma’s en schrijver van twee boeken die bestsellers zijn geworden.

Met behulp van gortdroge humor en ironie, en zeer veel voorbeelden probeert Haring die drang naar succes te duiden. Hij komt daarbij uit bij een biologisch verklaringsmodel: in de evolutie overleeft slechts datgene wat succes biedt; al het andere verdwijnt. Zo is het ook in ons sociale leven, meent Haring, getuige het bovenstaand citaat: de drang naar succes is een sociaal fenomeen, een systeem dat zichzelf in stand houdt. Wie zich aan dat systeem conformeert, streeft naar succes en kan wellicht iets bereiken. Wie zich er niet aan wil conformeren, verdwijnt onopvallend in de coulissen. Het is een keuze die iedereen heeft. We neigen ernaar om succes te prefereren boven middelmatigheid. Haring meent echter dat die voorkeur arbitrair is.

Harings boekje is geslaagd voor wie zich niet stoort aan halve zinnen en niet-academisch taalgebruik. Het boekje heeft geen academische pretenties en is geschikt voor jong en oud (hoewel het thema volwassenen meer zal aanspreken dan jongeren). Haring schrijft zoals hij spreekt. De voorbeelden zijn daarbij sprekend en zeer treffend, afkomstig uit het leven van alledag. Maar hoe kinderlijk eenvoudig – in positieve zin – dit boekje ook mag zijn, het heeft ook een diepere boodschap over de waarde van eenvoud, die in onze hectische tijd, waarin boeken over mindfulness, spiritualiteit en meditatie bestsellers zijn, op gewillige oren kan rekenen.

Haring moraliseert daarbij niet, hij constateert slechts, beschrijft, en laat aan de lezer de keus. Die vrijblijvendheid is echter tegelijkertijd de grote zwakte van het boek: als je het boekje na een paar genoeglijke uurtjes met een glimlach weglegt, ben je de inhoud meteen al weer vergeten…

12 oktober 2007

Pim van Lommel: Eindeloos Bewustzijn

Voor de vaste lezers van mijn blog zal het wel duidelijk zijn: ik denk niet dat er vanuit de wetenschap argumenten zijn om het bestaan van God aannemelijk te maken of te bestrijden. Wetenschap en religieus geloof zijn volstrekt verschillende benaderingen op de werkelijkheid. Af en toe duiken er nog wel eens argumenten op die bijna-dood-ervaringen gebruiken als argument voor het bestaan van een hiernamaals. Ook daarover ben ik bijzonder sceptisch.

 

Neemt allemaal niet weg dat ik wel buitengewoon geïnteresseerd ben in zaken of denkbeelden die ons wereldbeeld een beetje opschudden. Het boek van Dick Mesland is daar een goed voorbeeld van. En binnenkort verschijnt een boek waarin ik zeer geïnteresseerd ben: het boek van de cardioloog Pim van Lommel over zijn onderzoek naar bijna-dood-ervaringen.

 

Van Lommel onderzocht bijna-dood-ervaringen van patiënten, en zijn onderzoek haalde het gerennommeerde tijdschrift The Lancet. Van Lommel was van mening dat de standaardverklaringen voor BDE's niet langer voldeden. En in zijn boek dat binnenkort verschijnt, lijkt hij nog sterkere claims te doen: namelijk dat er goede redenen zijn dat ons bewustzijn niet vastzit aan onze hersenen, maar er ook los van zou kunnen bestaan. Kijk, dat is nou leuk: rommelen aan het heersende materialistische wereldbeeld. En dat door een zeer gerenommeerde wetenschapper, die ik absoluut niet van zweverige denkbeelden verdenk! (Sterker nog, ik kan me nog de krantenstukken herinneren naar aanleiding van het Lancet-artikel, waarin Van Lommel zich erg sceptisch over BDE's uitliet, maar schoorvoetend moest erkennen dat er geen enkele 'normale' verklaring voor was.)

 

Het boek, getiteld Eindeloos bewustzijn: een wetenschappelijke visie op de bijna-doodervaring komt op 19 november in de boekhandel uit. Op zaterdag 17 november zal het boek in Velp gepresenteerd worden. Ik zou er graag naar toe gaan, maar dat is me op dit moment te ver weg. Ik ben wel buitengewoon nieuwsgierig naar het boek - met name als ik de beschrijving hier lees - en zal hopelijk t.z.t. op dit weblog mijn ideeën over dit boek uiteenzetten...

Aanvulling, 13-10-2007: Ik blijf toch enigszins sceptisch. Uit reacties heb ik gemerkt dat Van Lommel blijkbaar toch sterk naar dualistische denkbeelden neigt en bovendien nogal van quantum-speculaties gecharmeerd is. Niettemin kijk ik erg uit naar het boek. Het zal wel wat voer voor discussie geven, lijkt me.

9 oktober 2007

Recensie "Omhoog kijken in Platland"

Afgelopen zaterdag is mijn recensie van het boek van Dekker c.s., Omhoog kijken in Platland in Bionieuws gepubliceerd. De redactie heeft de recensie enigszins aangepast. Hieronder volgt de tekst van de oorspronkelijke recensie. Hierin komen de redenen naar voren waarom ik niet zo enthousiast ben over het boek en zelfs denk dat het boek onproductief en polariserend zal werken in het debat over de verhouding tussen geloof en wetenschap.


“Omhoog kijken in platland” kijkt neer op wetenschap

De titel van het boek Omhoog kijken in platland: Over geloven in de wetenschap, wat afgelopen woensdag aan minister Plasterk werd overhandigd, is ontleend aan het beroemde boek Flatland van de wiskundige en predikant E.A. Abbott (1884). Onder verwijzing naar Richard Dawkins, Piet Borst en Herman Philipse stellen de redacteuren: “Een benadering die God en het geloof in God per definitie uitsluit uit elk serieus discours, is vergelijkbaar met de benadering van de platlander die niet bereid is te denken buiten het platte vlak van zijn waarneembare wereld – die als het ware niet omhoog kan kijken – en die van de weeromstuit dan concludeert dat er dus wel niet meer zal zijn dan zijn eigen platte vlak” (14). Ik heb sympathie voor de oproep tot intellectuele open-mindedness, maar tijdens lezing van het boek bekroop me allengs toch het gevoel dat de auteurs van dit boek naar het andere uiterste zijn doorgeslagen.

Omhoog kijken is, zoals de redacteuren zelf zeggen, het derde deel van een trilogie over de verhouding van geloof en wetenschap. Eerdere delen waren het ophefmakende maar uiteindelijk zeer teleurstellende Schitterend ongeluk of sporen van ontwerp? (2005) en het sterke En God beschikte een worm (2006). Wat opvalt, is de verdwijning van een prominente redacteur van de vorige twee delen: Ronald Meester. Meester werkt aan Omhoog kijken niet mee, noch als redacteur, noch als auteur. Deels had dit volgens de redacteuren te maken met “de wat explicietere concentratie op het meer orthodox-christelijk geloof” (409). Lag de vrijzinnige Meester volgens eigen zeggen nogal eens in de clinch met zijn mederedacteuren tijdens het werk aan de vorige twee boeken, nu lijken alle redacteursneuzen theologisch eenzelfde kant op te staan: de voormalig gereformeerde bondspredikant en bijzonder hoogleraar Gijsbert van den Brink heeft zijn plaats ingenomen.

In het eerste deel van het boek wordt ingegaan op de relatie tussen wetenschap en christelijk geloof. Het opent met een “preek” van hoogleraar Van de Beek van de VU over christelijk geloof als ware kennis. De toon is gezet. Vervolgens volgt een deel waarin de geloofwaardigheid van de Bijbel wordt verdedigd. Opvallend is het optreden van bioloog en creationist Willem Ouweneel, die de betekenis van de Bijbel voor de wetenschap verdedigt. Van die betekenis blijft weinig over: Ouweneel pleit voor de irrelevantie van de Bijbel voor de wetenschap: “Het gaat in de Bijbel om het heil, niet om thermodynamica, nucleaire krachten, isostasie en zwaartekracht … in typisch vakwetenschappelijke vraagstellingen stelt zij een belang” (160). Een stap voorwaarts, zou ik zeggen.

Helaas, wie doorleest, merkt dat veruit de meeste artikelen in het boek een anti-wetenschappelijk karakter hebben: het gaat er vooral om te laten zien waar het onvermogen van wetenschappers ligt om uitspraken te doen over levensbeschouwelijke zaken. Ard Louis schrijft, in een overigens zeer sympathiek artikel, over het onvermogen van wetenschap om wonderen uit te sluiten. Gerrit Glas, Leon de Bruin en Guus Labooy belichten in hun artikelen het onvermogen van wetenschappers om het bestaan uit te sluiten van de menselijke vrije wil, de immateriële ziel, en een voortbestaan na de dood.

Cees Dekker gaat tekeer tegen ‘transhumanisten’ die erop uit zijn door middel van techniek de mens te verbeteren. Hij roept christenen op zich te organiseren tot een tegencultuur: “Een krachtig protest mag klinken tegen het ongebreideld optimistische transhumanisme, om de wereld te behoeden voor een Brave New World samenleving waarin de menselijkheid verloren zal raken” (301). Dekker is fel gekant tegen het idee van verbetering van de mens, want “verbetering gaat fundamenteel verder dan genezing, en het leidt onomkeerbaar naar eugenetica” (300). Jan van Bemmel zet zich af tegen onderzoek naar Artificial Intelligence en Artificial Life, en Henk Jochemsen bestrijdt het gebruik van menselijke kloonembryo’s voor stamcelonderzoek, omdat de ethische bezwaren daartegen “veel zwaarder wegen dan de (potentiële) voordelen van dat onderzoek” (338).

Het laatste deel is voor biologen wellicht het meest interessant, omdat hierin wordt ingegaan op (of liever: tegen) evolutionaire verklaringen van moraal en religie. De filosoof René van Woudenberg stelt dat evolutionaire verklaringen van moreel gedrag “geenszins overtuigend” zijn, en meent dat christenen derhalve voluit kunnen blijven geloven in het bestaan van een objectieve moraal. Tenslotte volgt een ingewikkeld artikel van Alvin Plantinga die poogt om evolutionair-psychologische verklaringen van religie in diskrediet te brengen.

Na lezing van het boek blijft mij het beeld bij van mannen – alle twintig auteurs in het boek zijn mannen – in zwarte pakken gehesen en met opgeheven wijsvinger. Het lijkt alsof de redacteuren gemeend hebben een krachtig tegengeluid te moeten geven tegen de antireligieuze retoriek van Dawkins en andere atheïstische wetenschappers. De strategie van een directe aanval op biologische en neurowetenschappelijke verklaringen van menselijk gedrag lijkt mij echter onproductief en polariserend. Immers, daarmee bevestigen ze het vooroordeel van velen dat orthodox geloof per definitie anti-wetenschappelijk is.

Taede Smedes

Dr. Taede A. Smedes is godsdienstfilosoof, theoloog en publicist. Hij werkt als postdoc aan de Faculteit Theologie van de Katholieke Universiteit Leuven aan een onderzoek naar de theologische relevantie van evolutionaire verklaringen van religie.

Google-list

  • Google-advertenties

Mijn boeken

  • Zojuist verschenen:God én Darwin

    God én Darwin: Geloof kan niet om evolutie heen
    Amsterdam: Nieuw Amsterdam Uitgevers, 2009
    ISBN: 9789046806005, 16,95 Euro

    God en de menselijke maat

    God en de menselijke maat: Gods handelen en het natuurwetenschappelijk wereldbeeld
    Zoetermeer: Meinema 2006
    ISBN: 9021141132, 19,50 Euro

    Chaos, Complexity, and God

    Chaos, Complexity, and God: Divine Action and Scientism
    Leuven: Peeters Publishers 2004
    ISBN: 9042915218, 30 Euro

    Creation's Diversity: Voices from Theology and Science

    Creation's Diversity: Voices from Theology and Science (Issues in Science and Theology)
    London: T&T Clark International 2008
    ISBN: 9780567033291

Amazon Astore

  • Visit my Science & Religion Bookstore

februari 2010

ma di wo do vr za zo
1 2 3 4 5 6 7
8 9 10 11 12 13 14
15 16 17 18 19 20 21
22 23 24 25 26 27 28
Neem inhoud van deze site over (XML)